- Home
- ADC voor U
- Kennis
- Projecten
- Over ADC
- Contact
In opdracht van de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) is door de RoelBrandt stichting een opgraving uitgewerkt en gepresenteerd uit Denekamp. De opdracht maakt deel uit van het Odyssee project dat tot doel heeft bijzondere resultaten van ouder onderzoek te ontsluiten voor wetenschappelijke studie en publiek.
De opgraving vond plaats bij huidige woonwijk De Borchert in 1972 en duurde een jaar. Onder het esdek lagen sporen van een nederzetting. Voorafgaand aan dit onderzoek werd gedacht dat deze nederzetting dateerde uit de Late IJzertijd (vanaf 200 v. Chr) tot in de Romeinse tijd (tot ongeveer 200 na Chr). Naar aanleiding van de resultaten blijkt de nederzetting vooral in de Romeinse tijd bewoond.
Gedurende zes generaties stonden er twee (later drie) boerderijen met bijgebouwen. Behalve deze boerderijen kwamen ook sporen van akkers (aan de hand van ploegkrassen) tevoorschijn. In de 3e eeuw na Chr. werd de nederzetting verplaatst.
De resultaten van het onderzoek zijn gepubliceerd en tot 26 november 2011 was de tentoonstelling te zien in Natura Docet te Denekamp.
Tijdens de opgraving De Borchert is veel vondstmateriaal aangetroffen. Er zijn zo’n 10.000 aardewerk scherven verzameld. Daarnaast is ook natuursteen, metaalslak en botmateriaal gevonden. Een groot deel van deze vondsten is geanalyseerd in het kader van het project.
Hoewel het terrein gedurende de IJzertijd wel in gebruik is geweest, is er toch vooral in de Romeinse tijd gewoond. Na de 2e eeuw neemt de bewoningsactiviteit in Denekamp – de Borchert snel af.
In de Late IJzertijd vertoont het vondstmateriaal van Oost-Nederland overeenkomsten met Midden- en Zuid-Nederland. Wanneer in de 1e eeuw na Chr. de Romeinen de limes aanleggen, richt het Oost-Nederlandse gebied zich op het oosten en noorden. Op de vindplaats van Denekamp is dit zichtbaar door de grote hoeveelheid zogeheten Rijn-Wezer-Germaans (RWG) aardewerk maar ook uit aardewerk dat oorspronkelijk afkomstig is uit het Elbe-gebied. Bijzonder aan het aardewerkcomplex is dat dit aardewerk erg vroeg zijn intrede doet in de nederzetting. Tot nog toe gingen onderzoekers er van uit dat het RWG-aardewerk pas veel later (in de loop van de 1e eeuw na Chr.) in het huidige Oost-Nederland voorkomt.
Tijdens de opgraving zijn veel profielen getekend. Bovendien werd ter plaatse een profiel vrijgelegd in het veen. Het pollenonderzoek dat naar aanleiding daarvan is uitgevoerd biedt veel inzicht in de ontwikeling van het klimaat en landschap over een periode van duizenden jaren. Voor het Odysseeproject is nog eens gedetailleerd gekeken naar de informatie die in dit profiel aanwezig over de rol die de mens in het landschap gespeeld heeft vanaf zijn allereerste aanwezigheid tot aan het moment dat de nederzetting werd ingericht.
De nederzetting lag op twee dekzandruggen in het landschap maar ook gedeeltelijk op een oude rivierarm van de Dinkel die vooral in de IJzertijd is dichtgestoven. De oudste aanwijzingen voor menselijke aanwezigheid dateert ui het Laat-Neolithicum (ca 3000 v. Chr). De eerste boeren branden stukjes bos weg om er hun akkers aan te leggen. Vanaf de Bronstijd (vanaf ongeveer 1500 v. Chr) word het landschap steeds opener. Op de plaats waar de latere nederzetting zou komen worden in de IJzertijd akkers ingericht. Dit blijkt niet alleen uit ploegsporen maar vooral uit de vele pollen van granen.
Een onderzoek naar de samenstelling van het zand (korrelgrootteanalyse) heeft aangetoond dat het landschap erg kwetsbaar is. De aanleg van akkers heeft dan ook geleid tot grote verstuivingen waarmee de Dinkelarm verder werd opgevuld.
Bijzonder is de vondst van keerploegsporen uit de Late IJzertijd. Met behulp van een keerploeg wordt de grond gekeerd in plaats van opengescheurd (zoals met een eergetouw). Het zijn de oudste aanwijzingen voor het gebruik van dit type landbuwgereedschap.
Gedurende de Romeinse tijd wordt het lanschap nog opener en ontstaan ook graslanden in de omgeving van de nederzetting. Daarna (Vroege Middeleeuwen) nemen bomen weer even bezit van het terrein. Gedurende de Late Middeleeuwen is het terrein in gebruik als akkerland. Vanaf de 15e eeuw ontstaat er een plaggendek.