Nieuws & Opinie

11-10-2017. 3800 jaar oude grafheuvels gevonden bij opgravingen in Tiel
Meer lezen ›

10-10-2017. ADC ArcheoProjecten doet mee tijdens de Nationale Archeologiedagen 2017!
Meer lezen ›

09-10-2017. Driehonderd kinderen graven mee naar de Schat van Dalfsen
Meer lezen ›

Bodemmilieu Scheepswrakken Flevoland

Archeologische resten kunnen in de grond alleen behouden blijven als de bodemcondities gunstig zijn.
Vanuit de provincie Flevoland is een project opgestart dat gericht is op duurzaam behoud van de 80 nog resterende, niet ingekuilde scheepswrakken. De scheepswrakken zijn vergaan in de Zuiderzee en dateren vanaf tweede helft van de 13e eeuw tot begin twintigste eeuw. Ze kwamen in grote getalen aan het licht bij de inpoldering van de IJsselmeerpolders. Een deel van de wrakken is direct bij de inpoldering geruimd. Een deel ligt echter nog geborgen (en vérborgen) in de bodem.
 
Om de resten van deze scheepswrakken en mogelijk hun lading te bewaren moeten de bodemcondities daar geschikt voor zijn. Bodemleven – met  name bacteriën en schimmels – kunnen  het materiaal aantasten tot op het niveau dat de resten  onherkenbaar worden of zelfs geheel vergaan.
 
Door middel van booronderzoek, gecombineerd met de bekende diepteligging van de wrakken, is per wrak onderzocht of deze zich geheel of gedeeltelijk binnen gunstige of ongunstige bodemcondities bevindt. Hiervoor is een raai (rij) boringen dwars op het wrak, zowel binnen als buiten de wraklocatie gezet. Indien mogelijk werd op basis van de boringen binnen het wrak ook de conditie van het hout beschreven. De bekende diepteligging uit eerder onderzoek is getoetst middels het lokaliseren van de resten met behulp van een prikstok.
 
Onderdeel van het project was de scheepswrakken in te delen in klassen, waaruit de mogelijkheden van behoud in situ van het wrak blijkt. Een eerste indeling in conserveringsklassen was reeds gemaakt op basis van grondwatertrappen. Deze indeling bleek echter niet nauwkeurig genoeg, omdat de grondwatertrappen daar te grofmazig voor zijn. De resultaten laten zien dat op zeer lokaal niveau de condities sterk kunnen verschillen. Zo kan een deel van het wrak in zeer slechte staat zijn en achteruitgaan, terwijl dieper gelegen delen nog redelijk intact zijn en stabiel.  
Dit relatief eenvoudige vooronderzoek blijkt een goede basis te zijn voor het maken van een afweging over behoud in situ of opgraving. En de classificatie geeft inzicht in welke maatregelen nodig zijn om te zorgen voor duurzaam behoud.